MUSICAL 2.0

Alweer? – Over hernemingen in de musicalwereld

De reacties waren gemengd toen begin dit jaar werd aangekondigd dat Hair terug zou komen in de theaters. Sommige mensen keken uit naar de nieuwe productie; anderen vonden het te snel na de vorige versie. Dit seizoen waagt Stage Entertainment Nederland zich eraan. Ondanks dat het de eerste keer is dat deze producent de musical uitbrengt, is de voorstelling al meerdere keren in Nederland te zien geweest. Is het een gebrek aan originaliteit of past het in de schijnbare trend om producties terug te brengen in de theaters? Is er eigenlijk sprake van een trend? Durven producenten tegenwoordig geen nieuwe producties meer te maken en als dat zo is, is dat dan wel een probleem?

Onder ‘nieuwe producties’ worden hier musicalproducties verstaan die nog niet eerder in Nederland te zien zijn geweest. Dat kunnen dus origineel Nederlandstalige musicals zijn, maar evengoed buitenlandse producties die voor het eerst in Nederland worden geproduceerd.

Niets nieuws
Het terugbrengen van een eerder opgevoerde musical is niet iets wat zich de laatste jaren heeft ontwikkeld. Neem bijvoorbeeld de musical Irma La Douce. In 1961 bracht Het Rotterdams Toneel de voorstelling in de theaters met Lia Dorana in de titelrol en Willem Nijholt als La Douceur; het begin van zijn theatercarrière. Al een kleine anderhalf jaar later kwam het Amsterdams Volkstoneel met dezelfde titel op de planken. In de Amsterdamse opvoering van Irma La Douce speelde Beppie Nooij de titelrol.

Het was de beginperiode van de musical in Nederland en de keuze aan bekend repertoire was schaars. Desondanks duurde het niet lang tot nieuwe musicals de boventoon gingen voeren. In de decennia die volgden, werden er veel originele voorstellingen geproduceerd – denk aan de musicals van Annie M.G. Schmidt en Harry Bannink of de voorstellingen van Jos Brink en Frank Sanders – maar ook veel internationale producties werden naar Nederland gehaald. Musicals als Oliver!, The Sound of Music, Anatevka en Sweet Charity waren allemaal al in de jaren zestig te aanschouwen.



Stage Entertainment
De komst van Joop van den Ende in de musicalwereld betekende het begin van de grote internationale musicalproducties in Nederland. In 1988 ging zijn eerste musical in première: Barnum, met toentertijd nog Albert Verlinde in het ensemble. In de hierop volgende ruim vijftien jaar bracht Van den Ende allemaal – voor hem – nieuwe producties. Het merendeel van deze producties waren tevens voor het eerst in Nederland te zien; enkele producties, zoals Sweet Charity (1989, eerder te zien in 1968) en My Fair Lady (1994, eerder in 1960 en 1972), waren al eerder door andere producenten uitgebracht.

In 2004 was het voor het eerst dat Stage Entertainment een “eigen” musical opnieuw ging produceren. Na eerder in 1997 De Jantjes ten tonele te hebben gebracht, was het zeven jaar later opnieuw de beurt aan deze volksmusical. Het was een logische keuze: na eerdere producties in 1970 en 1982 door andere producenten leek er een traditie te zijn ontstaan om de voorstelling eens in de ongeveer tien jaar te spelen.
Sinds 2006 werden er steeds vaker producties hernomen. Het waren voornamelijk de klassiekers als My Fair Lady (1994 en 2006), Cabaret (1989 en 2006), Les Misérables (1991 en 2008) en Miss Saigon (1996 en 2011), die gemiddeld vijftien jaar na de eerste versie opnieuw werden gespeeld. In de laatste tien jaar produceerde Stage Entertainment een kleine 45 musicals, waarvan er 11 al eerder door het bedrijf waren geproduceerd. Vijf van de elf hernemingen waren de afgelopen twee jaar of zijn in het komende seizoen te zien in de theaters. Is het hernemen van producties dan toch iets van de laatste jaren?

Afwegingen
Dat er in de afgelopen twee seizoenen van Stage Entertainment vrijwel meer hernemingen zijn geweest dan nieuwe producties, kan onder meer te maken hebben met alle interne veranderingen binnen het bedrijf, maar het kent zeker ook andere redenen. De producties die hernomen zijn – The Sound of Music, Grease, Beauty and the Beast, The Lion King en Ciske de Rat – zijn stuk voor stuk voorstellingen die ofwel bedoeld zijn als familievoorstelling, ofwel tot een soort ‘musical-erfgoed’ behoren. Beide categorieën hebben de mogelijkheid om, tien jaar na de vorige versie, een nieuw en jong publiek te trekken dat nog niet bekend is met de musicals. Naast een nieuwe generatie kinderen zijn er ook nieuwe generaties ouders en grootouders die, in een nieuwe rol, opnieuw de voorstelling kunnen bezoeken. Om deze reden is het begrijpelijk dat bepaalde titels eens in de zoveel jaar terugkeren naar de theaters.

Is de ontwikkeling van de laatste jaren dan enkel een goede ontwikkeling? Dat is ook weer niet geheel het geval. De genoemde voorstellingen, zijn, behalve de afgelopen twee jaar, óók allemaal te zien geweest tussen 2006 en 2008. De kans is dus groot dat een groot deel van het hedendaagse publiek – met of zonder kinderen – de musicals überhaupt al heeft gezien. Het blijft dus nodig om voldoende nieuwe producties tegenover de hernemingen te blijven zetten, om op die manier goede alternatieven aan te bieden voor mensen die geen trek hebben in een herhaling. Het seizoen moet geen complete kopie worden van een eerder seizoen.



Tegenwicht
In de afgelopen seizoenen hebben voornamelijk de andere producenten de alternatieven geboden. Ook zij produceerden ‘bekend’ repertoire, zoals De Jantjes, Heerlijk Duurt Het Langst en Amandla! Mandela, maar het was voornamelijk nieuw repertoire dat producenten als DommelGraaf & Cornelissen, Janke Dekker Producties en BOS Theaterproducties in de theaters brachten.  In de afgelopen seizoenen produceerden zij voorstellingen als Onder de Groene Hemel, Het Meisje met het Rode Haar, Chez Brood en Willem Ruis, De Show van zijn Leven. Het beeld dat er vrijwel alleen maar hernemingen worden gespeeld, klopt dus niet: het totale musicalaanbod bevatte ook in de afgelopen seizoenen voor het merendeel nieuwe producties.

Repertoiretoneel
Afgezien van de vraag of er teveel hernemingen zijn en er te weinig vernieuwing is, is er de vraag of hernemingen op zichzelf wel een probleem zijn. In de toneelwereld is er bijvoorbeeld sprake van een bepaald repertoiretoneel bij gezelschappen. Een voorstelling als Scènes uit een Huwelijk van Toneelgroep Amsterdam is sinds het seizoen 2004-2005 in zes van de twaalf hierop volgende seizoenen gespeeld. De stukken van Shakespeare, waaronder Hamlet, zijn in elk seizoen op meerdere plekken tegelijk en in verschillende vormen te zien. In bijvoorbeeld Hamlet vs Hamlet, een bewerking door Tom Lanoye van het bekende stuk voor Toneelgroep Amsterdam, is het verhaal naar deze eeuw verplaatst en wordt de rol van Hamlet door een vrouw gespeeld. Dit is niet zoals Shakespeare het ooit bedoeld heeft.

Daar ligt ook het grootste verschil. Een voorstelling als Hamlet wordt veel vaker gespeeld dan Beauty and the Beast. Een Hamlet-voorstelling is echter bijna nooit hetzelfde. Bij elke nieuwe productie wordt er opnieuw naar het stuk gekeken en wordt er een eigen interpretatie aan gegeven, terwijl er bij veel internationale musicals, waaronder Beauty and the Beast, beperkt ruimte is voor eigen inbreng en de voorstelling over de hele wereld er vrijwel hetzelfde uitziet. Dat maakt dat een herneming van de meeste musicals vrij weinig nieuws toe te voegen heeft aan de theatergeschiedenis. Het is immers, op de cast na, vaak vrijwel een exacte kopie als een eerdere versie.

Hernemingen op zichzelf zijn dus zo erg nog niet. Sommige producties behoren nu eenmaal tot het musicalerfgoed en worden, net zoals Scènes uit een Huwelijk, eens in de zoveel tijd gespeeld. Om de exacte kopieën echter te voorkomen, is het noodzakelijk dat er bij elke hernomen productie met een nieuwe en frisse blik wordt gekeken naar het verhaal en de voorstelling. Kan het verhaal worden geactualiseerd? Zijn we nog tevreden met het decor en de arrangementen? Op deze manier kunnen ook hernemingen iets nieuws toevoegen aan de musicalgeschiedenis en blijven ze voor het publiek interessant om te bezoeken.